Vakmanschap

Leren in de kringloop

JIM

De doorbraak

Sylvano groeit op in het Brabantse Tiel, en woont vanaf zijn negende in drie internaten. Als hij op zijn vijftiende voor het eerst bij zijn vader in Assendelft gaat wonen, besluit hij nooit meer gepest te worden. ‘Ik dacht: als ik ga vechten, krijg ik respect. Ik trok op met de stoere jongens, en uiteindelijk werd ik zelf een vervelende straatrat.’
Sylvano zit steeds vaker vast. Maar ondertussen leert hij Rob junior kennen, een recht-door-zee-Zaankanter die samen met zijn vader Rob senior een kringloopwinkel runt in Koog aan de Zaan. Er ontstaat een leerling-mentor-relatie, die extra waardevol blijkt als Sylvano hulp krijgt van de Intensieve Forensische Aanpak.
Rob zorgt er ook voor dat Sylvano en zijn vader meer met elkaar gaan praten. Sylvano: ‘Doordat we beter naar elkaar luisteren, weet ik nu dat hij van me houdt. Ik begrijp nu dat hij niet wilde dat ik op mezelf ging wonen, omdat hij bang was dat ik zijn voetstappen ging volgen. Hij zei: je kan niet eens een spijker in de muur slaan. Maar toen kwam Rob en die zei: dat kan jij wel.
Hij wordt Sylvano’s JIM. Rob heeft levenservaring, weet van aanpakken en spreekt Sylvano aan op zijn gedrag. En dat werkt. ’Jongeren worden hier als mens beschouwd. En ze komen erachter dat ze meer kunnen dan ze denken. Ze merken dat er rekening met ze gehouden wordt. Er ontstaat saamhorigheid. En dat kennen ze vaak niet'.
Mohammed begeleidt Sylvano vanuti IFA, Intensieve Forensische Aanpak voor jongeren met een grote kans op terugval in de criminaliteit. Zijn taak: samen met Sylvano en zijn omgeving ervoor zorgen dat Sylvano niet recidiveert. Zodra Mohammed Sylvano over Rob hoort vertellen, besluit hij hem bij de hulpverlening vanuit IFA te betrekken. Met succes.

Sylvano accepteert het als Rob zegt: ‘wat ben je nou voor jongen dat je elke keer te laat komt?’
Sylvano is gevoelig voor mensen die ook iets meegemaakt hebben, mensen die een ander leven hebben dan jij of ik. Sylvano snapt de taal van Rob. En Rob snapt de taal van Sylvano. Dus het werkt als Rob hem vertelt hoe belangrijk het is om niet meer in aanraking te komen met politie en justitie. Hij is meer dan een werkervaringsplek, voor Sylvano was hij tijdelijk de vervangende thuissituatie. Hij was hulpverlener, vader en vriend ineen. Ik zag Sylvano een keer in de week, Rob veertig uur, soms zes dagen per week.

Lees hier het gehele verhaal van Sylvano

Terug naar home

Ik gaf altijd anderen de schuld

Als Sylvano op zijn vijftiende voor het eerst kringloopwinkel Boeldag binnenstapt, is hij nog een jongen van de straat, zonder werk, zonder diploma. Zwarte kleren, hoodie, blik op de grond gericht. Kijkt iemand hem te lang aan, dan kan diegene een klap verwachten. Hij woont bij zijn vader in Assendelft, maar is vooral op straat, waar het steeds vaker uitdraait op drinken, stelen en vechten. Sylvano volgt bij Rob een leer-werk-traject.

Sylvano: ‘Ik ben eigenlijk altijd een probleemkind geweest, dus toen ik bij Rob kwam, dacht ik dat ik niks kon.’ Sylvano groeit op in Tiel, waar hij met tweelingbroertje en -zusje, en zus en broer bij zijn moeder woont. Zijn vader vertrekt nog voordat Sylvano geboren wordt naar Amsterdam. Thuis zijn er financiële problemen en op school wordt Sylvano gepest. Hij kan zich niet concentreren, en reageert vaak boos. Zijn moeder kan hem steeds moeilijker aan en tussen zijn negende en veertiende verblijft hij lange periodes in drie internaten. Zijn vader ziet hij in die tijd niet, wel veel hulpverleners.

Van jongs af aan heb ik al jeugdzorg om me heen, mensen die zeggen: je bent agressief, je bent een probleemkind. Nu denk ik: ik had gewoon een strenge hand en een vaderfiguur nodig. Mijn vader beloofde dat hij in de weekenden op bezoek kwam, maar hij kwam niet. Dat heb ik hem altijd kwalijk genomen.

Als Sylvano vijftien is en opnieuw naar een internaat moet, meldt zijn vader zich. Sylvano: ‘Ineens wilde hij me opvoeden. En dat ging niet helemaal goed. Ook dacht: ik ‘Niemand kent me hier, dit is een nieuwe start voor mij. Als ik ga vechten, dan krijg ik vast respect. Ik trok op met de stoere jongens, en uiteindelijk werd ik zelf een vervelende straatrat. Ik begon te drinken en te vechten.’

Rond die tijd gaat Sylvano bij Rob werken. ‘Ik gaf altijd anderen de schuld. Maar Rob zei tegen mij: ‘Als je buiten loopt, en je hebt je capuchon op en je kijkt naar beneden. Natuurlijk gaan mensen je aankijken. Doe die capuchon af, doe je haren gewoon, zet je pet af, doe die Northface-jasjes weg. Laat jezelf zien. Je zult zien dat mensen respect tonen. En dat klopte.’

Dat soort advies krijgt Sylvano in de Boeldag gewoon tussen het sjouwen en het rijden door. Want dat is wat er moet gebeuren. Er moeten wasmachines getild worden, bananendozen met boeken. Er moeten kamers in bejaardenhuizen leeggehaald worden, waar Sylvano oog in oog staat met verdriet van anderen. Het leven trekt er in alle facetten aan je voorbij. Zo is er op een dag geld gestolen van een oude vrouw nadat er spullen opgehaald zijn. Ze is volledig overstuur. Rob, Sylvano en een derde jongen gaan zoeken, het moet een van hen geweest zijn, dat weet Rob zeker. Sylvano vindt uiteindelijk het geld. Zeshonderd en twintig euro. Door de andere jongen gestolen en weggemoffeld tussen de zitting in het busje. Maar dit keer stopt Sylvano het niet in zijn eigen zak. Hij geeft het terug, samen met Rob. Sylvano: ‘En toen kregen we allebei vijftig euro. Voor niet stelen! Dat vergeet ik nooit meer. Een week later kreeg ze een hartaanval van de stress. Dan zie je wat je aanricht.’

Toen Sylvano hulp van IFA kreeg, vertelde hij hulpverlener Mohammed over Rob. Sylvano bleek terug te kunnen komen, en Rob werd Sylvano’s JIM. En zo is kringloopwinkel Boeldag de plek waar Sylvano onder begeleiding van Rob leert dat mensen te vertrouwen zijn, dat werken wordt beloond en dat het eigenlijk best fijn is als je ’s avonds moe thuiskomt, te moe om de straat nog op te gaan.

Rob zorgt er ook voor dat Sylvano en zijn vader meer met elkaar gaan praten. Sylvano:

Doordat we beter naar elkaar luisteren, weet ik nu dat hij van me houdt. Ik begrijp nu dat hij niet wilde dat ik op mezelf ging wonen, omdat hij bang was dat ik zijn voetstappen ging volgen.

Hij zei: je kan niet eens een spijker in de muur slaan. Maar toen kwam Rob en die zei: dat kan jij wel. Ik leerde een linnenkast in elkaar zetten, een lamp ophangen. Dat brengt je motivatie terug. En dankzij Rob haalde ik mijn rijbewijs, mijn veiligheidscertificaat en mijn heftruck-certificaat. Natuurlijk ging het in de tijd dat ik hier was ook wel eens mis. En dan werd Rob heel boos, maar hij vroeg ook: ‘hoe is het nou gekomen vriend? Hoe heb je dit nou aangepakt?’’

Ze ontdekken dat ze meer kunnen dan ze denken

In de kringloopwinkel Boeldag van Rob junior en Rob senior komen al jaren jongeren over de vloer. Ze hebben een taakstraf, zijn gestuurd door de reclassering of zoeken een werkervaringsplaats. Ze leren er sjouwen en bouwen, vinden saamhorigheid en een luisterend oor. Rob: ’Jongeren worden hier als mens beschouwd. En ze komen erachter dat ze meer kunnen dan ze denken. De meeste jongeren die binnenkomen zijn eerst teruggetrokken. Maar dan eten we tussen de middag samen, mijn moeder bakt een ei. En dan wordt er halal-vlees gehaald. Ze merken dat er rekening met ze gehouden wordt. Er ontstaat saamhorigheid. En dat kennen ze vaak niet.’

‘Sylvano is een slimme jongen, dat zag ik meteen. Hij kan schrijven! Netjes. Maar het grootste probleem is dat hij altijd achtergesteld is door een samenloop van omstandigheden. En dan de manier waarop mensen naar hem kijken: zo van ‘ach, daar is er weer zo een.’

En als je je al nutteloos voelt, en iemand geeft je nog een keer het gevoel dat je niks voorstelt… Ja, dan gaan ze de straat op.

En jongeren die in die twijfelachtige scene zitten, doen dingen die groter zijn dan ze zelf zijn. Ze beseffen zich niet wat ze zich op de hals halen. Ik hoop dat ik dan voor die tijd al met ze kan praten. Op dat punt net voordat ze de overgang maken naar een mes of een pistool pakken. Het besef bij brengen dat ze dat nou net niet doen.’

Dat besef bijbrengen gebeurt niet in een serieus gesprek aan een bureau in een behandelkamer, maar tussen de bedrijven door. ‘Als ze een kast in elkaar moeten zetten, laat ik ze eerst vijf minuten klooien, en dan zeg ik: kom probeer eens een ander bitje. Als het bitje stuk gaat, dan word ik niet boos, maar zoeken we een ander bitje. Een linnenkast opbouwen. Je denkt misschien: een linnenkast is maar een linnenkast, maar voor iemand die vanaf die route komt en dat op moet gaan bouwen… er zit een systeem in, en ze zijn niet systematisch, die jongens.’

‘We halen vaak spullen op in bejaardentehuizen. Dus jongeren leren dan: je netjes voorstellen en even afwachten. En als iemand zegt: mijn man is overleden, dan leren ze ‘gecondoleerd’ te zeggen, ‘dat is spijtig’. Door het meegaan, door het te zien, te ervaren en te herhalen, pakken ze het langzaam op. En zo zijn de meeste jongeren van 15, 16 nog best te beïnvloeden.’

Natuurlijk wordt er soms ook nog eens één flink boos. En als er dan een kast is die stuk mag, dan leert Rob ze slopen. ‘Ik zeg dan: kom op, als je zo’n bozeling bent, ram het eruit.’ En dan worden ze woest, rode kop, soms staan ze te kotsen of te huilen naast de bak. Zo doorrookt en opgefokt. Dat is agressietherapie op zijn max. Daar geef ik dan maar de ruimte voor.

Ga maar even rammen dan, sla maar op die bak. Iedereen heeft dat wel eens, ik ook, maar dan kies ik een muur of een deur, geen mens.

En dan gaat het balletje rollen en kunnen we weer praten. En geintjes maken. Want daar houden we hier ook van.’

Ondertussen wordt er gepraat. Tijdens het sjouwen, maar vooral tijdens het rijden in de bus, op weg naar een nieuwe partij meubels en snuisterijen. Rob: ‘Ik kan zelf veel praten, maar op het moment dat ik denk hee wacht effe, hier zit wat, dan kan ik ook makkelijk mijn mond houden en luisteren. En vaak zijn het problemen thuis. Niet gehoord worden. Niet samen eten. Geen saamhorigheid.’

Rob spreekt daar ook de vader van Sylvano op aan, als die op een dag de winkel binnenloopt. Rob: ‘Ik dacht: als zij niet gaan praten met elkaar, dan gaat er nooit een oplossing komen. Toen kwam zijn vader een keer hier. Die dacht al, wat moeten ze daar met mijn zoon. Ik zei: u moet meer praten met uw zoon. Hij keek me aan met een blik van: wat moet je nou? En tegen Sylvano zei ik: je kan wel kwaad praten over je vader. Maar je mag wel bij hem wonen. Hij pakt je er wel bij. En hij neemt je mee. Maar jij doet eigenwijs. En eigenlijk vanaf dat moment is het balletje gaan rollen. Ze zijn gaan praten en zo heeft Sylvano meer te horen gekregen over vroeger.’

‘Ik ben zo trots op die jongen. Natuurlijk hebben wij hem geholpen, maar hij heeft het zelf gedaan. Zijn rijbewijs, certificaten. Hij is nu ook een voorbeeld voor anderen. Dat is ook zo mooi, dat je als je één iemand verandert, zoveel invloed hebt op anderen. Want dat heeft Sylvano.’

Rob zijn benadering werkt veel beter

Mohammed: ‘Sylvano is een slimme jongen, maar ook snel agressief. Hij hing veel op straat, kwam niet op tijd op zijn werk. Mijn taak vanuit justitie was om samen met hem en zijn omgeving ervoor te zorgen dat hij niet recidiveerde. Op een dag zaten we samen in de auto en opeens vertelde Sylvano mij dat hij eerder stage had gelopen bij Rob.

‘Rob, nou dat is eigenlijk een soort tweede vader voor mij,’ zei hij. Dus ik dacht meteen: daar moet ik naartoe. Toen ik binnenkwam in de kringloopzaak stelde ik me voor, en Rob riep meteen lachend: ‘Heb je deze gozer in begeleiding? Nou, ik wens je veel succes!’ Toen wist ik: er is een goed contact, die moet ik er meteen als JIM bij betrekken. Het uitgangspunt van JIM is dat je eerst gaat kijken: wie is er belangrijk voor de jongere?

Iemand die hij goed kent, die hij vertrouwt, bij wie hij zich veilig voelt.

En dan pas: wat heeft deze jongen nodig?’

‘Het bijzondere was dat Sylvano zelf met Rob kwam. Ik heb hem niets gevraagd. En toen Sylvano opnieuw bij Rob kon gaan werken, toen ging Rob echt een grote rol spelen. Ten eerste had Sylvano weer een dagbesteding, waardoor hij minder op straat rondging. Ten tweede: de Boeldag werd een plek waar ik en zijn vader hem altijd konden vinden. Dus ik haalde hem daar op voor de behandeling agressieregulatie die hij verplicht moest volgen. Iedere woensdag om 9:00 uur stond de rijleraar voor de deur. Als je niet wist waar Sylvano was, dan belde je naar Rob.’

‘Ten derde: Sylvano accepteert het als Rob zegt: ‘wat ben je nou voor jongen dat je elke keer te laat komt?’ Sylvano is gevoelig voor mensen die ook iets meegemaakt hebben, mensen die een ander leven hebben dan jij of ik. En Rob heeft een geschiedenis: hij heeft veel bedrijven gehad, ook in het buitenland. Zijn naam is bekend in Zaanstad. Sylvano snapt de taal van Rob. En Rob snapt de taal van Sylvano. Dus het werkt als Rob hem vertelt hoe belangrijk het is om niet meer in aanraking te komen met politie en justitie. Of dat het belangrijk is om goed contact met zijn vader te houden. Hij is meer dan een werkervaringsplek, voor Sylvano was hij tijdelijk de vervangende thuissituatie. Hij was hulpverlener, vader en vriend ineen. Hij is eigenlijk een JIM+. Ik zag Sylvano een keer in de week, Rob veertig uur, soms zes dagen per week.

Zijn vorm van benadering werkt veel beter dan tientallen hulpverleners die Sylvano heeft gehad. Het is een echte ‘internaat-jongen’, hij heeft zo’n apparaat aan hulpverleners gehad, allemaal mensen met visie, methodieken en protocollen. Rob is iemand die zegt:

Potverdomme, hij moet gewoon aan de slag.

Rob heeft Sylvano ruimte en vertrouwen geboden, maar hem ook aangesproken op het niveau van: ‘Sukkel, je bent echt niet goed bezig!’ Vervolgens kon ik kijken: waar liggen de risico’s voor Sylvano nog? Dat waren zijn vrienden. Maar ook daar heeft hij geleerd om op tijd weg te lopen. En inderdaad, de wijkagent, het veiligheidshuis, ze zien hem niet meer.

Hij heeft zijn rijbewijs, zijn certificaten, hij heeft de behandeling gevolgd, en komt niet meer in contact met politie en justitie. Dat is ons doel, en dat hebben we dankzij Rob behaald.’